De zon verschuilt zich nog achter een dunne laag wolken wanneer ik de grote houten deuren naar het terras open. Op blote voeten stap ik naar buiten. De koele bruine tegels onder mijn voeten voelen vertrouwd. Een zachte wind strijkt langs mijn gezicht en blaast mijn haren naar achteren. In de verte zingen de vogels hun mooiste liederen. Midden op het terras staat een grote ronde tafel. De avond ervoor heb ik mijn mooiste terracotta borden uit de kast gehaald en ze zorgvuldig neergezet, alsof het een kunstwerk was dat precies zo moest blijven staan tot deze ochtend. Ik pak het bestek uit de la en leg messen, vorken en lepels naast de borden. Daarna zet ik de diepblauwe glazen op tafel. Even houd ik er één omhoog. Het glas vangt het eerste zonlicht dat zich voorzichtig tussen de wolken door laat zien en kleurt het terras in warme schakeringen van blauw en goud.
Wanneer ik opkijk, zie ik mijn vriend aan komen lopen. Zijn armen zijn gevuld met vers geplukte bloemen. Onze ogen ontmoeten elkaar. Zonder iets te zeggen glimlachen we. Op de lage stenen muur rondom het terras staat een grote houten bak, gevuld met vers bronwater uit de fontein verderop in het dorp. Ze hield van water dat rechtstreeks uit de natuur kwam. Helder, levend, onaangeraakt. Ieder jaar, in de nacht van San Juan, legde zij bloemen en kruiden in vers bronwater en liet ze die onder de nachtelijke hemel staan. Ze geloofde dat het water zo de kracht van de natuur in zich opnam. De volgende ochtend waste ze er haar gezicht mee. Een oud ritueel voor zuivering, bescherming en een nieuw begin. Ze geloofde in de kracht van bomen, in water uit de bron, in de maan die de aarde beroert en in handen die konden helen wanneer ze met aandacht werden gebruikt. Sommigen noemden haar een heks. Zijzelf noemde het eenvoudigweg leven in verbinding met de natuur. Ze zag magie niet als iets bovennatuurlijks, maar als iets wat zichtbaar wordt wanneer je met verwondering kijkt.
Met een aandacht die bijna iets ritueels heeft, legt mijn vriend de bloemen één voor één in het water. Hij heeft ze die ochtend geplukt in de tuin van zijn moeder en langs het pad dat van haar huis naar het onze loopt. Hij draait een takje bij, verschuift een bloem een paar centimeter en stapt weer achteruit. Alsof hij niet zomaar bloemen in het water legt, maar een herinnering vormgeeft.
Er wordt op de houten voordeur geklopt. Wanneer ik open doe, verschijnt zijn familie. Ze dragen lichte, kleurrijke kleding. Mijn schoonzus heeft kleine bloemen in haar lichte haar gevlochten en mijn zwager heeft de favoriete fles wijn van zijn moeder meegenomen. We groeten elkaar met een warme omhelzing. Langzaam neemt iedereen plaats aan tafel. Eén stoel aan het hoofd van de tafel blijft leeg. Op het bord rust een klein takje gedroogde salie en een bloem van de magnolia boom uit onze tuin. In het midden van de tafel brandt een enkele kaars. De vlam beweegt zachtjes mee op het ritme van de wind. Niemand spreekt over afwezigheid. Vandaag, op haar verjaardag, vieren we haar leven. Niet met zwarte kleding of gebogen hoofden, maar met bloemen, verhalen en eten dat met liefde is bereid. Zij geloofde dat de dood geen einde was, maar een andere vorm van thuiskomen. Dat liefde niet verdwijnt wanneer een lichaam dat wel doet.
Mijn vriend staat op. Hij kijkt even naar de lege stoel voordat hij begint te spreken. ‘Mijn moeder geloofde dat het licht in één mens genoeg kan zijn om honderden anderen de weg te wijzen.’ Hij pakt de brandende kaars uit het midden van de tafel en steekt daarmee de kaars aan die voor hem staat. Daarna geeft hij de vlam door aan zijn zus. Zij doet hetzelfde. Dan aan zijn broer, aan de andere familieleden en vervolgens aan mij. Binnen enkele ogenblikken brandt voor iedereen een klein licht. Ik kijk naar de dansende vlammen. Een vlam heeft zich vermenigvuldigd zonder zelf haar kracht te verliezen. Mijn vriend heft zijn glas. Even blijft het stil. ‘Op mama.’ ‘Op mama,’ herhalen we. De blauwe glazen raken elkaar en het heldere geluid verspreidt zich over het terras. Dan wordt het eten op tafel gezet. Grote schalen worden van hand tot hand doorgegeven. Mijn schoonzus vertelt over de keer dat haar moeder midden in de nacht iedereen wakker maakte omdat de maan zo mooi was dat slapen volgens haar zonde zou zijn. Haar broer begint te lachen nog voordat het verhaal is afgelopen. ‘Zo typisch mama.’ Al snel volgen meerdere verhalen. Over haar rode handen waarmee ze zei te kunnen helen. Over de stenen die ze bij volle maan buiten legde. Over de bloemen die zenooit wilde plukken omdat ze ze liever levend zag. Over haar koppigheid, haar zachtheid en haar vermogen om van een gewone dag iets bijzonders te maken. Tussen de tranen door wordt er gelachen.
Ik kijk naar de lege stoel aan het hoofd van de tafel. Het takje salie beweegt zachtjes in de wind. Een paar meter verderop drijven haar bloemen in het bronwater. De zon staat inmiddels hoog aan de hemel. Misschien hebben we de dood verkeerd leren begrijpen, denk ik. Als iets wat alleen maar wegneemt. Als een groot verlies. Maar terwijl ik hier zit, zie ik hoeveel zij heeft achtergelaten en ineens zie ik haar overal. Gebaren die van moeder op dochter zijn overgegaan. Verhalen die opnieuw worden verteld. Rituelen die door andere handen worden voortgezet. Liefde die zich heeft verspreid over een tafel vol mensen. Plotseling lijkt die lege stoel helemaal niet meer zo leeg.
Ik kijk naar de kaars die nog altijd in het midden van de tafel brandt. Niet als symbool van wat we verloren hebben. Maar van alles wat er dankzij haar is. Vandaag nemen we geen afscheid.
Vandaag vieren we dat ze heeft geleefd.